Het meisje tegen de Ventoux

Het meisje tegen de Ventoux deel 1

Een paar maanden voor de bewuste dag kwam het belachelijke, nu blijkt, idee in me op om drie keer op één dag de Mont Ventoux te bedwingen. Van alle kanten een keer omhoog fietsen.

Ik was me er van bewust dat het een hele opgave zou worden, niet iets wat je zo maar even zou doen. Maar ik was er van overtuigd dat het me zou lukken. De allerlaatste kilometers van de 138 kilometer tellende tocht zou ik fietsen op Verdi’s triumphant march uit de opera Aïda. Op de laatste klanken zou ik van mijn fiets stappen en een diepe buiging maken. In mijn gedachten zou het zo gaan.

De nacht ervoor ging voortreffelijk. Ik ging veels te laat op bed, de wekker zou al om 05:00 gaan, en als klap op de vuurpijl besloot mijn bed in de gehuurde caravan het ook nog eens te begeven. Een kleine hartverzakking een paar uur voor mijn epische tocht moet kunnen. Mijn vader stond in de caravan en kreeg van schrik Toco Tholin in zijn oog. Een betere voorbereiding kun je je niet wensen.

Op 25 juni 2015, kwart over 6, zat ik op de fiets voor de klim vanuit Malaucène, na eerst mijn eerste stempel bij de bakker gehaald te hebben. Tot een paar dagen voor deze grote dag, kende ik die klim nog niet. De andere twee had ik twee jaar geleden al een keer gedaan. Dit keer ging het beter dan een paar dagen geleden. Ik wist dat na de zware stukken minder zware stukken zouden komen om even bij te komen. Een paar dagen geleden waren ze na zo’n 10 kilometer bezig om de weg opnieuw te asfalteren. Het was nog steeds niet helemaal af en de rechter weghelft leek op de met grint bezaaide oprit van een jaren ’70 bungalow. Er was niemand op de berg in deze vroegte, behalve de oudere man in een fluorescerend windjack die naar beneden kwam zoeven, dus ik kon heerlijk op de verkeerde weghelft rijden. Op het steile stuk enkele kilometers voor het einde kwam mijn vader met de auto achter mij rijden, de muziek van The Doors klonk keihard uit de speakers. Ik was bijna aan het eind van de eerste klim.

Boven op de berg was het stil. Er stond één andere wielrenner op de top. Het winkeltje en het restaurantje waren beide dicht en de koopmannen hadden hun kraampjes met snoep nog niet opgebouwd. De grote stroom van fietsers was nog niet gearriveerd en de toeristen hadden hun campers nog niet op de top geparkeerd. De berg sliep nog. De Ventoux had nog geen kans gehad om mijn plannen te dwarsbomen.

Na de bevoorrading pakte mijn vader de fiets uit de auto en vergezelde me naar Bédoin. De afdaling ging snel en hoe lager we kwamen, hoe meer fietsers we tegen de zwaartekracht zagen vechten. In Bédoin haalde ik snel mijn stempel, bij een fietsenverkoper met de grootste grijns die ik ooit had gezien, en we gingen weer op weg naar de top.

Het bos. Dat verdomde bos. Dat verdomde bos van 10 kilometer lang stijgingspercentages van rond de 10 procent. Ik vervloekte het bos. De berg was wakker en had een ochtendhumeur.

Wordt vervolgd.

Tags : ,